Handwassing

De handwassing voorafgaand aan de mis heeft vooral een symbolische betekenis. Het is een gebaar van zuiverheid bij nadering van het heilige, en een teken van innerlijke reinheid. Reeds in het Oude Testament treffen we dit gebaar aan, bijvoorbeeld in Psalm 26:6: ‘Ik was mijn handen in onschuld, en maak den omgang om uw altaar o Here’. Het eerste woord van deze tekst, die door de priester bij de handwassing werd gebeden, is in het latijn ‘Lavabo’. Dit wordt op den duur ook wel de naam van het bekken (en in Frankrijk zelfs van een gewone wasbak). In de loop der tijd werd het gebruikelijk om de vingers en de kelk te reinigen met wijn, de ablutiewijn, en deze ook op te drinken. In de late Middeleeuwen kwam de gewoonte in zwang dat de priester bij het begin van de mis (symbolisch) zijn vingers reinigde met behulp van een kan water en een schaal. Deze ontwikkeling leidde er toe dat men voor de rituele reiniging niet in elk koor nog een wasbekken in de muur plaatste.